In de weekmedia en de social media staan al enige tijd berichten dat het recreatiegebied Het Twiske bedreigd wordt. Via het riviertje de Twisk is Het Twiske verbonden met onze buurt en de Wilmkebreekpolder. Wij, de Vereniging tot Behoud van de Wilmkebreekpolder, ondersteunen de oproep van de Stichting Hart voor het Twiske om hun petitie te tekenen en actie te ondernemen naar de gemeente Oostzaan. Hieronder volgt hun toelichting en oproep:
“
Het Twiske dreigt een vakantie- en festivalpark te worden. De gemeente Oostzaan bereidt een Ontwerp-omgevingsvisie voor om in het Twiske festivals, campings en vakantiehuisjes toe te staan. Daarmee legt ze de rode loper uit voor 35% meer toeristen, nu al 1.6 miljoen – en minstens 50.000 festivalgangers per jaar. Festivals met keiharde techno-muziek gaan dan de rust verstoren en de natuur schaden. Het Twiske is een beschermd Natura 2000-gebied. Een toevluchtsoord voor meer dan 120 vogelsoorten, zoals de smient, de zeldzame rietzanger, snor en roerdomp. De strenge Europese Natura 2000-bescherming is verankerd in het bestemmingsplan buitengebied van Oostzaan. Overnachtingen en evenementen zijn nu verboden. Festivals vonden jarenlang zonder vergunning plaats. Daarom wil de gemeente het bestemmingsplan – nu omgevingsplan genoemd – wijzigen. De Ontwerp-omgevingsvisie is hiervoor de eerste stap.
Bouw niet in het Twiske voor toeristen en massale festivals!
Kom allen op maandag 14 juni om 19.15 uur naar het gemeentehuis van Oostzaan. Dan bieden we buiten de petitie aan, waarbij we de coronaregels in acht nemen.
Iedereen kan inspreektijd aanvragen bij griffie@oostzaan.nl voor de commissievergadering op 14 juni vanaf 19.30 uur.
Samen beschermen wij het Twiske: Stichting Hart voor het Twiske, PlatformTwiskeGeenPretpark, IVN-Twiske, Natuuralert en de juristen L. Lohman en J. Schouten en achterban.
“
Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.wilmkebreek.nl/index.php/2021/06/het-twiske-wordt-bedreigd/
Het thema ‘Vogels en jonkies in polder en tuin’ heeft twee winnaars opgeleverd. We konden gewoon niet kiezen… Rasmus fotografeerde een pul van een Wilde eend die aan kikkerdril van een meerkikker of groene kikker zit te knabbelen. Rechts zien we een dolle sprong van een lammetje.
Op nummer drie is dan geëindigd Rasmus met een mooie opname van oplettende Grauwe ganzen met hun pullen.
Een bijzondere vermelding komt de eer toe aan Mark de Jong die de vogelaars had gezien: ‘de spotters gespot‘ en nog eentje van Harald van een mooie bui die over de polder trok.
Het thema van de maand juni is “Kleur en Licht”
Juni is de maand met de langste dagen. Na een koude en regenachtige april- en meimaand breekt er nu een zonnige en zomerse tijd aan. Het groene gras wordt snel langer en gaat wuiven in de wind. De grote ratelaar laat met zijn bloemen de polder geel kleuren. Zuring zorgt voor rode streken. De koeien staan loom te grazen met binnenkort kalveren aan hun zijde. Laat je inspireren door de zomer en probeer in je compositie bewust met het licht om te gaan.
Tips & Tricks
Natuurlijk willen we jullie ook een handje helpen. Marga Bögels, van de workshop ‘Fotografie met Smartphone’, geeft elke maand advies hoe je met je telefoon of met je professionele camera tot een verrassend resultaat kunt komen.
Fotograferen met natuurlijk licht
Wij hebben dit voorjaar lang op het heerlijke zonlicht moeten wachten maar met fotograferen zoeken wij liever niet het felle zonlicht op. Fotograferen tussen 12.00 en 15.00 uur is uit den boze in fotoland. De sensoren van de digitale camera kunnen zelfs van het licht van slag van raken. Het zonlicht en de schaduw maken de foto niet altijd spannender. Dus vroeg op pad of juist tegen de schemering er op uit trekken. Dan heeft de natuur een goud tintje.
Misschien denk je dat je op een bewolkte dag geen mooie foto’s kunt maken, maar dat klopt niet.
Probeer eens een foto te maken met het licht in de rug of met tegenlicht en kijk of je een silhouet kunt maken.
Bij het nabewerken op de computer kun je met de licht effecten goed experimenteren.
Kijk eens naar de witbalans op je camera en speel daar eens mee.
Stuur je foto’s -met naam- uiterlijk 30 juni naar fotowedstrijd@wilmkebreek.nl en korte tijd later zullen ze te zien zijn op de pagina ‘Fotowedstrijd’ onder menu-item ‘Activiteiten’.
Auteursrecht
Als je een foto opstuurt, geef je meteen ook toestemming dat de Vereniging tot Behoud van de Wilmkebreekpolder de foto auteursrechtenvrij mag gebruiken voor de website of voor andere uitingen van de vereniging. We zullen je naam natuurlijk bij de foto vermelden.
Marga, Sabine, Marijke, Marja, Nynke, Tom en Henk
Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.wilmkebreek.nl/index.php/2021/06/fotowedstrijd-mei-juni/
Als je aan vlinders denkt, dan zie je misschien meteen zo’n mooie Citroenvlinder (27-30 mm) voor je of een Gehakkelde aurelia. Twee grotere dagvlinders. Allebei kunnen ze hier in de strooisellaag of een dichte klimopbegroeiing overwinteren. Dankzij de klimaatverandering komt de Gehakkelde aurelia steeds noordelijker voor. Nederland lag 30 jaar geleden aan de noordgrens, maar die is nu een flink stuk opgeschoven. Ik lees dat de volwassen vlinders van nectar, rottend fruit en uitwerpselen leven. De rups vreet zich vol met eiwitrijke brandnetel.
Een kleinere vlinder is het Boomblauwtje en het Icarusblauwtje, twee mooie blauwe vlindertjes met een heel verschillende leefwijze. Boomblauwtjes die je nu ziet vliegen leggen eitjes die in juli een tweede generatie opleveren. De rupsen zijn niet zo kieskeurig als er maar flink veel bloemknoppen voorradig zijn. Nu zal dat de Grote kattenstaart zijn en In augustus bijvoorbeeld de Klimop. Het Icarusblauwtje zet haar eitjes af op rolklaver. Ik laat altijd wat Moerasrolklaver staan, want het is een dankbare plant met een mooie, gele bloem. Hij levert veel nectar en is waardplant voor deze mooie vlinder.
… en nacht
Nog een maatje kleinere vlinders zijn bladrollers. Zij horen bij een grote groep vlindertjes oftewel micro’s. Kijk maar eens bij www.microvlinders.nl om je versteld te doen staan van alle mogelijke soorten. In de tuin vond ik de Anjerbladroller (15-25 mm) en de Paardenbloembladroller (16-22 mm). De Anjerbladroller is, in tegenstelling tot de meeste bladrollers, overdag actief en is te vinden op Anjers, maar ook op Rozen, Ligusters en heel veel andere soorten. De rupsen verbergen zich in een opgerolde bladeren of samengevouwen blad en eten het blad en de knoppen. Dus als je rozen in de tuin hebt met opgerolde blaadjes, dan zou het heel goed deze mot kunnen zijn. Een heel klein sluipwespje parasiteert op de eitjes van deze vlinder en is daarmee een goede biologische bestrijder.
De Paardenbloembladroller gedraagt zich niet als een bladroller. De rupsen leven in de wortelstokken van Paardenbloem en Smalle Weegbree.
En dan nog een nachtvlinder die ook wel overdag actief is: de Geelbandlangsprietmot. Op zich een veel voorkomende vlinder, maar hij leeft bij mij heel verscholen tussen de adderwortel en brandnetel. De mannetjes hebben voelsprieten van wel vijf keer hun lichaamslengte. Rupsen van deze mot leven van rotte bladeren en ander dood organisch materiaal.
Zoveel soorten
De mooiste vlinder die ik tot nog toe heb gevonden is de Wilgenwespvlinder, alweer een dagactieve nachtvinder. Hij lijkt op een wesp om zich te beschermen tegen vogels. (Er zijn veel insecten die dat doen, maar dat is wel een leuk verhaaltje voor een apart blog.) Ik lees op de website van de vlinderstichting dat de rupsen zich in de boom(wond) boren en dus in stammen, wortels, takken of twijgen leven.
Er zijn zoveel strategieën om te overleven en er zijn ook zoveel soorten vlinders.
In 2019 en 2020 heb ik in de tuin naar vlinders gezocht en kwam op 68 soorten! Dat zijn dan dag- en nachtvlinders. Over de afgelopen 10 jaar zijn er in en om de Wilmkebreekpolder meer dan 700 soorten gevonden! Kijk maar eens in het rapport ‘Soortenlijsten Wilmkebreekpolder en tuinen’ te downloaden vanaf de website van de Wilmkebreekpolder (wilmkebreek.nl/index.php/rapporten/). Van al die vlinders heeft een voormalige buurman, Thijs Knol, er de meeste gevonden (bijna 500!) door jarenlang te nachtvlinderen. Met speciale lampen en met ‘smeer’ op een boomstam wordt dan naar nachtvlinders gezocht. Die worden gefotografeerd, gedetermineerd en weer losgelaten. In juni 2020 heeft er in de Wilmkebreekpolder wederom een inventarisatie plaatsgevonden onder leiding van Taxon Expeditions (wilmkebreek.nl/index.php/rapporten/). Bart van Camp was er de (nacht)vlinderspecialist. Drie nachten werden er vlinders aangetrokken en dat leverde maar liefst 156 soorten nachtvlinders op! Je hebt geen idee wat er ’s nachts allemaal rondfladdert. En de vleermuis fladdert met ze mee. Ze zijn er gek op!
Als je – met je kinderen – meer wilt weten over vlinders bezoek dan eens de vlindertuin Mot in Mokum en vraag naar Nicky, de enthousiaste beheerder. Ze zitten aan de Meteorenweg hier in Noord tegen de Coentunnel aan. Je kunt er ook overnachten én echte biologische vlinderplanten kopen. (vlindertuinmotinmokum.nl)
Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.wilmkebreek.nl/index.php/2021/06/blog-08-vlinders/
Tot ons grote verdriet is op Tweede Pinksterdag Marina Roosebeek overleden. Marina was al een tijd ziek. Ze was vanaf het eerste uur een zeer actief en enthousiast lid van de natuurcommissie van onze vereniging. Marina was architect van beroep. Ze combineerde een grote kennis van de cultuurhistorie van de Wilmkebreekpolder in Amsterdam-Noord met een passie voor landschap en natuur. Ze was een gedreven voorvechtster voor het behoud van de polder met zijn bloemrijke weiden en rijke vogelleven en had een groot warm hart voor al diegenen, die met haar samen optrokken. We zullen Marina missen en wensen haar nabestaanden veel sterkte.
Het bestuur van de Vereniging tot Behoud van de Wilmkebreekpolder
Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.wilmkebreek.nl/index.php/2021/05/in-memoriam/
Sinds een week of twee vind ik weer bladluizen in de tuin. Eindelijk. Vorig jaar waren ze er al in maart. Bladluizen hebben eigenlijk een heerlijk leventje: ze zoeken een lekker plekje op van een plant, zoals het topje van een jonge stengel, en steken daar hun spitse bek in. Het is een soort injectienaald. Ze spuiten er wat speeksel in dat hard wordt, zodat er een mooi gaatje open blijft staan. En als het klaar is, kunnen ze urenlang uit dat gaatje de lekkerste plantensappen oplurken. Ze zijn soms heel precies in het uitkiezen van hun plantensoort. In onze tuin heb ik de Kornoeljeluis gevonden, de rozenluis, zwarte bonenluis en wolluis. Ineens zat de laurier er helemaal onder mee (soms vind je ze ook op kamerplanten). De pimpelmees was er in ieder geval dol op. Dit jaar heeft de laurier er geen last van…
Honingdauw
In plantensap zit veel suiker, maar daar is het de luis niet zo om te doen. Het meeste sap, de zogenaamde honingdauw, wordt gewoon weer uitgeplast. Mieren, wespen en bijen zijn hier dol op. Het is een goede energiebron voor ze. Mieren verzorgen daarom de bladluizen goed, beschermen ze fel tegen roofinsecten en houden ze vrij van schimmels. Op die manier hebben ze hun energiemaaltje altijd binnen handbereik. Soms worden zelfs de vleugeltjes afgebeten, zodat ze niet weg kunnen vliegen!
Levendbarend
Bladluizen filteren juist de eiwitten uit het plantensap, nodig om aan de lopende band jongen te kunnen produceren. Ze zijn levendbarend en hebben de meeste tijd van het jaar helemaal geen mannetjes nodig om zich voort te planten. Vrouwtjes krijgen jongen zonder bevrucht te worden en zodra de jongen geboren worden, zitten die ook alweer vol met nageslacht. Alleen in de herfst worden mannetjes geboren. De bevruchte vrouwtjes leggen eitjes die kunnen overwinteren. In het voorjaar kruipen hier de stammoeders uit, die weer zonder seks jongen kunnen krijgen, tot wel 15-20 generaties per jaar. Je kunt je voorstellen dat dat heel veel bladluizen oplevert.
Kapers op de kust
En dat moet ook wel, want niet alleen mezen houden van bladluizen, maar ook heel veel insecten, zoals lieveheersbeestjes. Maar ook de larven van een aantal soorten zweefvliegen zijn echte bladluisverslinders, zoals de snorzweefvlieg en het grote langlijfje. De volwassen vliegen leven gewoon van nectar. De eitjes worden vlakbij de bladluizen gelegd, zodat de larven meteen een gespreid bedje hebben als ze uit het ei kruipen. Ze kunnen ze goed ruiken en gaan er direct op af om de luizen leeg te zuigen. Mieren zullen de luizen tegen vraat proberen te verdedigen. De larven van lieveheersbeestjes kunnen die aanvallen wel afslaan en eten er in hun korte leven wel een paar duizend van. De larven van de halmvlieg leven tussen wortels van grassen, waar ze zich onder andere voeden met wortelluizen. Ook weekschildkevers en gaasvliegen zullen luizen te grazen nemen. En dan zijn ’s nachts de oorwormen nog aan de beurt.
Bladluizendoder
Als je nu een bijenhotel hebt, let dan ook eens op of je de bladluizendoder vindt. Ze worden sinds 1989 in Nederland waargenomen. Het is een kleine, zwarte graafwesp van 10-11 mm, die haar nest niet in de grond graaft, maar bestaande holletjes in (vermolmd) hout gebruikt. Het vrouwtje zoekt per broedcel tussen de 15-20 bladluizen en verdoofd ze (ze worden dus niet gedood). De broedcel wordt afgesloten met houtpulp. In een holletje komen ongeveer 5 broedcellen voor. Laat me eens weten als je zo’n wesp op je bijenhotel ziet.
De Rosse metselbij (Osmia bicornis) is net als de Tweekleurige zandbij ook zo’n bij van het vroege voorjaar. Hij heeft een dik vachtje en is goed bestand tegen de kou. Als de zon maar schijnt, dan zie je hem van maart tot in juni.
Vorig jaar had het vrouwtje achterin een nestgang bevruchte eitjes gelegd. Daar komen vrouwtjes uit. Vooraan in het nest had ze een paar nestcellen gemaakt met onbevruchte eitjes, waar mannetjes uit zullen kruipen. Een mees of een specht zal alleen de voorste exemplaren in een nest kunnen eten, waardoor de vrouwtjes beschermd blijven.
In het voorjaar vliegen dus eerst de mannetjes uit en een week of zo later verschijnen de vrouwtjes. Met een beetje geluk vind je bij een van de eerste mannetjes een exemplaar die vol met mijten zit. Ze zitten als een ‘jas’ om de bij en houden hem stevig vast. Je denkt natuurlijk: ‘Oh, wat zielig’, maar het lijkt dat het bijtje daar zelf niet zo’n last van heeft. Misschien dat hij wel wat belemmert wordt in zijn beweging of dat het wat zwaar voor hem is. De mijten hebben het niet op dit mannetje gemunt, maar op het vrouwtje waar hij mee zal paren. Zodra een mannetje een vrouwtje ziet, zal hij actie ondernemen en tijdens de paring zullen de mijten snel overstappen op het vrouwtje. Op de foto zie je een parend mannetje waar nog maar een paar mijten op zitten. Als het vrouwtje dan een nieuw nest begint, zullen ze in het nest achterblijven. Daar kunnen ze hun werk weer doen als een soort opruimdienst. Ze voeden zich namelijk met resten van het nest en een eventuele bij die doodgegaan is.
Aan het einde van het seizoen zijn de bijen helemaal op. Je ziet dat goed aan hun haren, die zijn al voor een deel uitgevallen en versleten.
Goeie bestuiver
Het is nu eind april en dat betekent dat het vrouwtje al druk bezig is met haar nest. Als het zonnig is, dan vliegt ze snel van bloem naar bloem, drinkt wat nectar, verzamelt wat stuifmeel en hup weer naar het nest. Ze maakt daar een voedselpakketje voor in de nestcel, waar dan een eitje bij gelegd wordt. Nog even een tussenschotje maken en aan de slag met de volgende. Over een paar weken is het seizoen voorbij en dan moet alles klaar zijn. Als je een bijenhotel hebt, dan is de kans groot dat je dat goed en rustig kunt bekijken, want ze maken er graag gebruik van. Ook voor kinderen is dit leuk, want de steek van deze bij is zo licht dat het niet door een mensenhuid kan en dus volstrekt ongevaarlijk is. Kijk voor tips om zelf een bijenhotel te maken op: https://www.wilmkebreek.nl/index.php/2020/12/nieuwe-rapporten/
De Rosse metselbij lijkt het namelijk heel goed te doen in fruitkwekerijen. Eigenlijk veel beter dan honingbijen. Een Honingbij verzamelt het stuifmeel netjes in haar korfje aan haar achterpoot, maar laat minder stuifmeel achter op de volgende bloem. Wilde bijen, zoals de Rosse metselbij, zijn veel slordiger en laten al gauw wat stuifmeel op een andere bloem achter. Eén Rosse metselbij kan zo ruim honderd keer meer bloemen bestuiven dan één Honingbij!
Parasiet
Een vlieg die parasiteert op metselbijen is de Muurrouwzwever (Anthrax anthrax). Deze zwarte wolzwever komt in mei-juni uit haar nest en zoekt dan snel een nest van metselbijen of metselwespen in hout of in muren. Daarom heten ze muurrouwzwevers. Ze houden ook van een zonnig plekje. Nog voordat het vrouwtje metselbij haar nest afsluit, legt vrouwtje wolzwever er haar eitje in. De larve Muurrouwzwever eet dan de larve van de gastheer op. Je ziet deze wolzwever steeds vaker omdat ze aangetrokken worden door metselbijen en -wespen in bijenhotels. Als je een wolzwever ziet, dan betekent het dat je een gezond ecosysteem voor wilde bijen hebt! Waarneming.nl roept dit jaar op ze te melden, want ze willen weten of de toename aan bijenhotels ook een toename betekent voor de Muurrouwzwever.
Als je vragen hebt, neem dan gerust even contact op met mij: henk@wilmkebreek.nl
Henk van Alst
Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.wilmkebreek.nl/index.php/2021/04/06-rosse-metselbij/
Gisteren heb ik een leuke lezing ‘Wilde bijenbeheer’ gevolgd van Jan Timmer (Landschap Noord-Holland).
Ik kon die lezing als lid van onze Natuurcommissie volgen, omdat het vogelbeheer van de polder beheerd wordt door de agrarische natuurvereniging Water, Land & Dijken en dat valt weer onder de provincie Noord-Holland. Als natuurcommissie zijn we al tien jaar bezig om de biodiversiteit in en om de polder te verhogen. We houden de vogelstand in de gaten en kijken onder andere naar het voorkomen van wilde bijen en hoe we ze kunnen helpen.
Het is nu medio april en eindelijk wordt het de komende dagen wat warmer. Overdag zal het zo’n 14 of 15 graden zijn en de nachtvorst lijkt voorlopig voorbij. Maar belangrijker nog voor voorjaarsbijen is dat de zon schijnt, dan worden ze actief. Deze kleine solitaire bijen zijn flink behaard en kunnen goed tegen de kou.
Het jaar van een Tweekleurige zandbij (Andrena bicolor) ziet er ongeveer zo uit:
Een vrouwtje kruipt uit haar nest en leeft nog ongeveer 6 weken. Ze warmt een beetje in de zon op en gaat op zoek naar nectar van bijvoorbeeld Paarse dovenetel om weer op krachten te komen en heb je Hondsdraf in de buurt, dan is dat helemaal geweldig. (Je vindt ze ook op Sleedoorn, Wilg, Ribes en Paardenbloem.) Mannetjes komen iets eerder uit en wachten haar op, want er moet onmiddellijk gepaard worden.
Vervolgens wordt een gang in de grond uitgegraven. Bij mij in de tuin zochten ze een open plekje pal in de zon, zonder begroeiing en met redelijk los zand. Het vrouwtje graaft vanuit die gang een of meerdere cellen. Dan wordt stuifmeel gezocht en getransporteerd tot in de broedcel, waar een bolletje van gekneed wordt. Daar bovenop komt een eitje. De binnenwand van de cel wordt afgewerkt. Met tussenschotjes worden eventueel meerdere cellen gemaakt. Als het nest klaar is, gaat het dicht. Binnen 6 weken is de bij in de cel volwassen (de larve was na een paar dagen al uit het ei gekropen, had het eiwitrijke stuifmeel opgegeten en zich daarna verpopt). En dan nog een jaartje wachten. En het is lekker rustig kwa klimaat onder de grond, veel gelijkmatiger dan erboven. Uit een cel waar op 15 april een eitje wordt gelegd, komt het jaar daarop rond 15 april een volwassen zandbij.
Maar ja, zo’n bal stuifmeel met een vette larve of wachtende bij is natuurlijk ook een lekker hapje voor nestrovers. Nog voordat het nest van die Zandbij afgesloten was, zag ik een rood-zwart insect bij de ingang. Het was een Roodzwarte dubbeltand (Nomada fabriciana), een wespbij. Ik had al een vrouwtje op Speenkruid zien zitten, maar las dat deze bij op de Zandbij parasiteerde. Het jong van deze Koekoeksbij doodt eerst de rivalen, dan de larve en eet vervolgens het stuifmeel op.
In het volgende blog zal ik het hebben over de Rosse metselbij (Osmia bicornis), hun mijten en een vlieg als parasiet. Ook deze vroege bij is nu al actief!
Op dit moment genieten we van een paar heerlijke voorjaarsdagen, net voor Pasen. Dit is ook hét moment voor veel insecten om het jaar te beginnen en in het bijzonder voor hommels. Wanneer de dagtemperatuur ongeveer 10 graden is kun je de eerste hommelkoninginnen zien. Ze gaan op zoek naar bloemen om hun energie voorraad aan te vullen. Daarom is het belangrijk om vroegbloeiende voedselplanten in de tuin te hebben zoals krokus, blauw druifje, hondsdraf, paarse- en witte dovenetel.
Koningin
Als je nu een hommel ziet vliegen, dan is het een koningin die waarschijnlijk al acht maanden op dit moment heeft zitten wachten. Ze heeft vorig jaar zo veel mogelijk gegeten en is nu dus uitgehongerd. Ze lurken uit het Longkruid (Pulmonaria officinalis) of Russische smeerwortel (Symphytum uplandicum) of zijn op zoek naar wilgen, die al in bloei staan. De nectar zorgt voor de energie en het stuifmeel voor de broodnodige eiwitten. Als ze na een paar weken aangesterkt zijn, zoeken ze een nestholte. Je kunt zelf zorgen voor rommelhoekjes in je tuin waar zo’n koningin een nest kan beginnen. Hommels steken eigenlijk niet of niet zo snel of je moet ze direct bedreigen. Ik ben nog nooit gestoken door een hommel. Kijk maar eens bij de bijenstichting als je toevallig zo’n nest vindt. Bij mij zat vorig jaar een akkerhommelnest ergens tussen het laagblijvend knoopkruid. Ik zet er dan een stokje in de buurt, zodat ik weet dat ik dat plekje met rust moet laten. Een aardhommelnest zat onder de schuur.
Broeden
Van pluizig materiaal, zoals droog gras, mos of wol wordt een nestje gedraaid met een holte in het midden van ongeveer 6 cm. groot. Met speciale klieren maakt ze een kommetje van was dat met nectar wordt gevuld. Dit is haar voorraad voedsel voor als ze dadelijk haar eitjes gaat uitbroeden. Ze maakt een klein balletje van nectar en honing, waarin ze haar eerste bevruchte eitjes in afzet. Ze begint te rillen en broedt zo de eitjes uit op ongeveer 30 graden. Na vier dagen komen de eitjes uit en eten het stuifmeel op. De koningin vult hun voorraad aan. De larven, werksters-in-spe, vervellen een aantal keer, verpoppen en komen dan uit. Na een paar dagen vliegen ze uit, terwijl de koningin dan alweer nieuwe eitjes heeft gelegd, die dan door de werksters verzorgd zullen worden. Vorig jaar zag ik op 12 april al een werkster akkerhommel op smeerwortel voedsel zoeken. Is er een oud vogelnestje in de buurt, dan is er kans dat er de boomhommel daar een nest in maakt. Steenhommels vinden spouwmuren heerlijk en weidehommels zoeken hoger gelegen vogelnesten op. Aard- en tuinhommels kun je uit elkaar houden door naar de onderkant van het borststuk te kijken, bij tuinhommels is er een gele band.
Zomer
In juni-juli legt de koningin eitjes waar mannetjes en nieuwe koninginnen uit komen, geen werksters meer. De mannetjes genieten in de hoogzomer van bloemen met stevige knoppen. Ik zag een mooi exemplaar van de Aardhommel op een vlinderstruik. Ze paren met de nieuwe koninginnen, die daarna een overwinteringsplek zoeken, zoals een bloempot met losse compost. Alle hommels sterven, behalve de nieuwe koninginnen, die het jaar erop weer tevoorschijn komen.
Wil je meer weten over hommels, lees dan eens ‘Een verhaal met een angel’ van Dave Goulson bij uitgeverij Atlascontact.
Planten in de tuin vormen de basis van een voedselketen. Bladgroenkorrels in bladeren vangen zonne-energie op en zetten die met water en kooldioxide om in suiker, zetmeel en cellulose. Die energie wordt weer gegeten door rupsen, bladluizen of bijen.
Een-op-een
De meeste insecten hebben een voorkeur voor één specifieke plantensoort. Ik las in ‘De Tuinjungle’ van Dave Goulson (atlascontact.nl) hoe dat komt: planten zijn energiebommen, maar steken hun energie liever in zaden, dan in gegeten worden. Door toevallige mutaties hebben de meeste soorten hun eigen gif ontwikkeld, zodat ze beschermd zijn tegen vraat. Maar in de loop van de evolutie konden insecten – ook weer door toevallige mutaties – deze chemische barrière doorbreken. En zodra dat lukte, werd die plant stukken beter te verteren. Waar die plant dan weer iets tegen probeerde te ondernemen door het giftige stofje iets te veranderen, enzovoort. De geur van zo’n toxine, bedoeld om insecten af te schrikken, kon dan voor één soort insect juist een aantrekkingskracht worden om erop af te gaan of om er eieren op af te zetten, zodat de larven meteen genoeg voedsel hebben.
Deze een-op-eenrelaties kom je in de tuin gemakkelijk tegen bij bijvoorbeeld de Dwerg-kattenstaartsnuitkever (Nanophyes marmoratus), de Grote narcisvlieg (Merodon equestris), de Dovenetelgraafwants (Tritomegas bicolor) of de Klimopbladroller (Clepsis dumicolana).
Toen de bloemplanten verschenen (ca 150 miljoen jaar geleden) en insecten die gingen bestuiven, nam de soortenrijkdom van zowel planten als bestuivers enorm toe doordat planten en insecten zich over en weer gingen specialiseren: planten om bestoven te worden en insecten om van hun favoriete nectar te snoepen. Zo ontstond gedurende de evolutie een nauwe band tussen plant en plantenetende of bloembestuivende insect. De weinig voorkomende Andoornbij (Anthophora furcata) bijvoorbeeld is dol op Bosandoorn (Stachys sylvatica) en andere Andoornsoorten.
Wilde planten
Maar je hebt ook wat algemenere bestuivers. Ik had gelezen dat exotische planten in de tuin eigenlijk niet zo goed is voor onze insecten. Daarom heb ik vorig jaar wat exoten vervangen door wilde soorten die ik kocht bij kwekerij de Helianth (www.deheliant.nl). Ik wilde eerst eens te kijken of ze zich staande hielden. Hartgespan (Leonurus quinquelobatus) deed het heel goed, bloeide lang en daar vond ik vaak de Grote wolbij (Anthidium manicatum). Slangenkruid (Echium vulgare) plant je het beste op wat armere grond en lokte oa. de Tuinbladsnijder (Megachile centuncularis). En Heelblaadje (Pulicaria dysenterica), een gele composiet, waar de Tronkenbij (Heriades truncorum) van houdt. Een vriendin schrok toen ik vertelde dat Heelblaadje nu in de tuin staat, want hij zou enorm woekeren. En later zag ik ze inderdaad in grote groepen in het Twiske staan. Dit jaar komt het weer goed op, dus ik zal hem maar een beetje in de gaten houden : – )
Exoten
Natuurlijk zijn er ook exotische planten waar bijen en vlinders dol op zijn, zoals bijenvoer (Phacelia tanacetifolia) en de Vlinderstruik (Buddleja davidii). Sommige wilde bijen kunnen juist ook baat hebben bij nieuwkomers, want hoe meer soorten hoe meer biodiversiteit. Bestuivers zullen dan immers meer gevarieerd voedsel vinden. Je zou denken dat door het bovenstaande evolutionaire verhaal over de nauwe relatie tussen plant en insect dit moeilijkheden zal opleveren, maar zelfs specialistische bijen lijken soms in staat een exoot te kunnen bestuiven.
Uit onderzoek (https://edepot.wur.nl/347657)van Menno Schilthuizen blijkt verder dat de evolutie gewoon doorgaat tussen inheemse insecten en exotische plantensoorten. Sommige specialisten zullen de strijd verliezen. Maar beide kanten zullen zich proberen aan te passen, waardoor ‘uitheemse’ soorten uiteindelijk permanent worden geïntegreerd in onze ‘inheemse’ flora en fauna.
Dus als je dit voorjaar nieuwe interessante soorten in je tuin plant, laat dan in ieder geval ook genoeg wilde bloemen staan, want zo geef je onze insecten in ieder geval genoeg te eten.
Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.wilmkebreek.nl/index.php/2021/03/03-insectenblog-planten-en-insecten/
Op 15 maart kregen de bewoners aan de Landsmeerderdijk een brief in de bus van baggerbedrijf Ippel Dredging in Koudum (Fr). Deze brief, die was gedateerd op 8 maart 2021, liet weten dat in opdracht van de gemeente Amsterdam gedurende een periode van 2 à 3 weken baggerwerkzaamheden zouden worden uitgevoerd in de sloot achter de huizen. Deze kwelsloot van de dijk vormt de afscheiding met de Wilmkebreekpolder. In de brief werd de bewoners verzocht om privé-eigendommen uit de sloot te verwijderen om beschadiging en vertraging van het werk te voorkomen.
Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is verantwoordelijk voor het onderhoud van de sloot, maar heeft nu kennelijk besloten om het onderhoud via de gemeente Amsterdam te laten lopen. In het verleden liet het hoogheemraadschap zelf de baggerwerkzaamheden uitvoeren en werd rekening gehouden met de broedperiode van de vogels.
Het bestuur van de Vereniging tot Behoud van de Wilmkebreekpolder heeft gemeend actie te moeten ondernemen, omdat de huidige baggerwerkzaamheden zouden gaan plaats vinden juist in de periode dat de weidevogels en watervogels beginnen met het innemen van een broedterritorium en de eerste eieren worden gelegd. We hebben daarom direct op 15 maart een protest-bericht gestuurd naar de aannemer (en mogelijke betrokkenen bij de gemeente en het hoogheemraadschap) met verwijzing naar de ‘Gedragscode Flora- en Faunawet’ van de gemeente Amsterdam. Deze gedragscode geeft aan dat onderhoudsbaggerwerk in de periode 1 maart – 31 juli niet is toegestaan. Alhoewel de Flora- en Faunawet inmiddels is vervangen door de Wet Natuurbescherming, heeft de gemeente Amsterdam tot op heden verzuimd om de eigen gedragscode bij te werken. De bestaande gedragscode is daarom nog steeds van kracht.
Op 16 maart, aan het begin van de ochtend, werd baggermaterieel uitgeladen op de Landsmeerderdijk, waardoor de kwestie zeer urgent werd. We hebben daarop telefonisch contact gehad met de aannemer en met de door de aannemer ingehuurde ecoloog van Bureau Natuurzorg, waarin we onze zorgen en bezwaren naar voren hebben gebracht. Ook heeft een buurtgenoot die advocaat is, gebeld met de aannemer en aangegeven dat er juridische stappen gezet zouden worden wanneer het baggeren doorgezet zou worden. De aannemer heeft vervolgens contact gezocht met de opdrachtgevende ambtenaar bij de gemeente Amsterdam. Kennelijk is de gemeente Amsterdam overstag gegaan, want de aannemer liet ons weten dat het werk uitgesteld zou worden. Direct daarna werd het baggermaterieel weer afgevoerd.
Uiteraard zijn we heel erg benieuwd hoe deze opdracht aan de aannemer tot stand is gekomen en wat de overwegingen zijn geweest om het werk uit te stellen. We houden u op de hoogte!
Het bestuur van de vereniging
Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.wilmkebreek.nl/index.php/2021/03/commotie-op-de-landsmeerderdijk/