Geschiedenis

Veel Amsterdammers zijn nauwelijks bekend met de historie van Amsterdam boven het IJ. Dit is niet zo verwonderlijk want ‘Noord’ gold jarenlang als het slechtst bereikbare deel van de stad, een stadsdeel bovendien waar je als stedeling weinig tot niets te zoeken had. Maar daar is de laatste jaren veel verandering in gekomen: de noordelijke IJ-oever is volop in ontwikkeling en krijgt een stedelijke allure, er ontstaat veel nieuwe woon- en werkgelegenheid, de noord-zuid metrolijn is inmiddels klaar waardoor Noord op enkele minuten reizen van het centrum is komen te liggen, en de komende jaren zullen over het IJ waarschijnlijk nieuwe verbindingen tussen Noord en de ‘stad’ worden gemaakt voor voetgangers en fietsers. Toch zal het landelijke karakter van Noord niet geheel verdwijnen. De oude dorpen zijn nog duidelijk herkenbaar tussen de nieuwe woonwijken en er is relatief veel groen. Die dorpen, zoals Schellingwoude, Nieuwendam en Buiksloot lagen vroeger dicht tegen het water aan. Op een kaart van ‘Amstellandt’ uit 1749 van Covens en Mortier is dit goed te zien.

Deel van een kaart van Amstellandt (Covens en Mortier, 1749, Noordhollands Archief); de oranje pijl wijst naar de Wilmkebreekpolder

Het brede water met de naam ‘Y-Stroom’ (toen ook wel ‘Ye’ genoemd, tegenwoordig het ‘IJ’) was in eerdere eeuwen ontstaan als gevolg van een steeds verder het land binnendringend Almere (de latere Zuiderzee). De oorspronkelijke bewoners droegen, ongewild weliswaar, in belangrijke mate bij aan het binnendringen van het water uit het Almere. Om de grond voor landbouw en bewoning geschikt te maken, werd het natte veengebied met behulp van vele slootjes ontwaterd. Daardoor kwam de veenbodem in contact met de lucht en verteerde het plantaardige bodemmateriaal. Het gevolg was dat de bodem sterk inklonk. Ook werd veen afgegraven voor de turfwinning. In een paar eeuwen tijd, vanaf ongeveer het jaar 1000 (het begin van de bewoning van het gebied en het ontstaan van Amsterdam), zakte de bodem van een hoogte van 3m à 4m boven de zeewaterstand tot aan het zeeniveau.

In Waterland werd het door al die ontginningsactiviteiten een natte boel. In de buurtschap Kadoelen moet het leven voor de vroege bewoners hard zijn geweest. Het was een plaats waar veehouders en vissers met veel ploeteren een bestaan konden vinden. De natte, moerassige omgeving was overigens een ideale plek voor muggen, die soms ook nog drager waren van de malariaparasiet. Tot midden in de vorige eeuw kwam malaria algemeen voor. In het gebied benoorden het IJ ontstonden door turfwinning, maar ook door erosie als gevolg van stromingen en golven, uitgestrekte plassen en meren; vrijwel alle plassen zijn later weer droog gemaakt (op de kaart uit 1749 zien we o.a. de droogmakerijen Buyckslootermeer, Broeckermeer en Belmermeer).

De getijdenstroming op het IJ knaagde voortdurend aan de slecht beschermde oevers. Als gevolg hiervan was het IJ aan het eind van de 18e eeuw zeer breed geworden: bij Halfweg bedroeg de breedte maar liefst 6 km! Het IJ vormde daarom gedurende vele eeuwen een geduchte fysieke barrière tussen de Waterlandse dorpen en de opkomende stad Amsterdam. De voortdurende eb- en vloedbeweging sleet vooral in de nauwere delen van het IJ diepe geulen uit, maar op tal van ondergelopen plaatsen bleef het water tamelijk ondiep.

Dijkenbouw

De bewoners van het gebied probeerden zich van oudsher zo goed mogelijk met kades en dijken te beschermen tegen stormvloeden vanuit het open Almere. Rond 1100 ontstond het graafschap Holland (met als eerste graaf Floris II) en werd een bestuurlijke organisatie van kracht. Hierdoor kon in het natte Holland ook de strijd tegen het water op meer georganiseerde wijze worden gevoerd. Vanaf ca. 1200 begon men de losse stukken dijk met elkaar te verbinden en ontstond er aan beide zijden van het IJ uiteindelijk een aaneengesloten zeedijk.

‘Waterlant’ in 1288. De dijk langs de noordelijke IJ-oever is aaneengesloten; de Wilmkebreek bestaat nog niet. De buurtschap Quadolen staat wel op de kaart. Reconstructie van G. de Vries gepubliceerd in Letterkundige Verhandelingen der Koninklijke Akademie, deel III, 1864. (Zuiderzeecollectie)

Die zeedijk was destijds echter niet erg hoog en sterk, ook omdat er dikwijls onenigheid was over de vraag wie verantwoordelijk was voor het broodnodige onderhoud. Het onderhoud bleef daarom vaak achterwege. Mede als gevolg hiervan brak in 1406 de noordelijke zeedijk bij Quadolen (Kadoelen) door. Hierdoor liepen grote delen van Waterland en de Oostzaner polder (onderdeel van Kennemerland) onder water. Deze omvangrijke overstroming was destijds mogelijk omdat de scheidingsdijk tussen Waterland en de Oostzaner polder, de Luyendijk, toen nog niet bestond. Op last van graaf Willem VI van Holland werd in 1410 de zeedijk hersteld, maar de nieuwe dijk moest noodgedwongen naar binnen worden verlegd, landinwaarts van het diepe stroomgat, ongeveer op de plaats waar de huidige Landsmeerderdijk ligt.

Meerdere malen brak de zeedijk daarna nog op verschillende plaatsen langs het IJ en de Zuiderzee door. Bij de doorbraken in 1512 en 1518 nabij Kadoelen spoelde veel veengrond achter de dijk weg en ontstond een laagte, die na de vloed gevuld bleef met water. Het doorbraakgebied werd de ‘Wilmkebreek’ genoemd als herinnering aan de inmiddels lang overleden graaf Willem VI. De ligging van de breek (of braak) is in 1616 door Lucas Jansz Sinck, beëdigd landmeter in Amsterdam, op een kaartje ingetekend. Het kaartje werd gemaakt in verband met een grensgeschil tussen de dorpen Landsmeer en Buiksloot. Op het kaartje wordt de Wilmkebreek aangeduid met de naam ‘Die wester Braeck’.

De Wilmkebreek ofwel Die wester Braeck in 1616, kaart van Lucas Jansz Sinck (Waterlands Archief)

Het verloop van de op dat moment weer herstelde oude zeedijk is nauwkeurig op het kaartje aangegeven. Ook is de plaats van de banscheidingspaal op de dijk aangegeven (midden tussen de ‘Oostsaner Ban’ en de ‘Lansmeer Ban’); deze paal gaf aan tot waar de dorpen Oostzaan en Landsmeer de dijk moesten onderhouden. Aan de oostzijde van de breek is de plaats van de ‘lange brugge’ ingetekend, een simpele palenbrug langs de rand van de breek die naar Landsmeer voerde.

De oude noordelijke zeedijk langs het IJ met alle doorbraakgebieden (waaronder de Wilmkebreek, de Kadoelerbreek en de Buiksloterbreek) is in 2001 door de provincie Noord-Holland tot provinciaal monument ‘De Waterlandse Zeedijk’ benoemd.

Drooglegging van de Wilmkebreek

In de periode 1633-1636 werd de Wilmkebreek – in navolging van andere grote plassen in Holland – met behulp van een windmolen droog gemalen en ingericht als agrarisch gebied. De nieuwe polder lag zo’n 3,5m onder zeeniveau en had een vruchtbare kleibodem (de oorspronkelijke bovenlaag van veen was grotendeels weggespoeld). Het slotenpatroon en de perceelindeling in de Wilmkebreekpolder zijn sinds de drooglegging in 1636 nauwelijks meer gewijzigd. Veeteelt was steeds het belangrijkste middel van bestaan voor de boeren die grond in de polder bezaten.

Perceelindeling van de Wilmkebreekpolder met oude benamingen

In de eeuwen die volgden na de droogmaking zou de Wilmkebreekpolder nog met enige regelmaat blank komen te staan. Door zijn diepe ligging bleek de polder gevoelig voor overstromingen en ontstond in natte tijden wateroverlast. De windmolen was daarom geen overbodige luxe.

Molen ’t Haasje

In het begin van de 19e eeuw, rond 1815, werd een nieuwe windmolen geplaatst, een achtkantige grondzeiler. Deze molen met de naam ‘’t Haasje’ ging vanaf 1818 ook dienst doen als korenmolen. De laatste overstroming van de polder dateert van 1916. De dijk langs de Zuiderzee brak in de omgeving van Monnickendam op twee plaatsen door. Heel Waterland overstroomde. Het water kwam zo ver dat ook de Wilmkebreekpolder onder liep. Molen ’t Haasje kon het droog malen van de polder vanwege ouderdomsgebreken en slijtage nauwelijks aan en werd in 1916 vervangen door een elektrisch gemaal.

Molen 't Haasje Wilmkebreek
Molen ’t Haasje, Wilmkebreek

Het huidige gemaal staat aan de Kadoelenweg, op dezelfde plaats waar vroeger de windmolen stond. Dit gemaal pompt bij een te hoge waterstand in de polder overtollig water weg naar de hoge sloot langs de Kadoelenweg. Deze sloot staat in verbinding met de Waterlandse Boezem. Vanuit deze boezem wordt overtollig water via het grote schroefgemaal aan de Landsmeerderdijk uitgeslagen naar Zijkanaal I, waar het afstroomt op het IJ.

De scheepvaart op Amsterdam

Naarmate de stad Amsterdam begon te groeien nam de behoefte aan graan, vlees, zuivelproducten, bouwstoffen en brandstof toe. Deze producten werden grotendeels vanuit de wijde omgeving betrokken. Vanuit Waterland werden o.a. zuivel, vlees en eieren aangevoerd. Die aanvoer ging voornamelijk over het water. Drukke vaarroutes liepen vanuit Waterland, over de Die, richting Nieuwendam en verder over het IJ naar de stad. Rond 1622 werd in landtong de Volewijk een kanaal gegraven voor de trekvaart, dat liep vanaf het Tolhuis aan het IJ naar het dorp Buiksloot (de Buikslotertrekvaart). Dit kanaal werd later verlengd tot Ilpendam en Purmerend en vormde voor de Waterlandse dorpen, naast een goede handelsverbinding met de stad Amsterdam, ook een toegang tot de zee. Nog weer later werd dit kanaal onderdeel van het Noordhollandsch kanaal. Meer westelijk waren er vaarroutes via de Saen en de Twisk. In Oostzaan stonden langs De Twisk verschillende traankokerijen (van walvisspek), die o.a. lampenolie produceerden. De Twisk werd al vroeg in de historie door middel van een schutsluis door de zeedijk heen verbonden met het IJ. Die sluis staat bekend als de ‘Oostzaner Overtoom’. De benaming ‘overtoom’ doet denken aan een inrichting waarbij een boot met behulp van een lier over de dijk wordt getrokken. Maar een overtoom heeft hier waarschijnlijk alleen bestaan in het vroege begin van de vaart op Amsterdam. Immers, grotere schepen met lading kunnen niet eenvoudig over de dijk worden getrokken.

De sluis ‘Oostzaner Overtoom’ in gebruik; vaart vanuit Zijkanaal I naar de Twisk (begin 20e eeuw).

Het idee van een schutsluis met beweegbare deuren is waarschijnlijk in de 13e eeuw ontstaan. Mogelijk is dit idee daarna al vrij snel, in de 14e eeuw toegepast bij Oostzaan. Deze sluis heeft, zij het met diverse vernieuwingen en reparaties, vele eeuwen gefunctioneerd. Pas in 1946 werd de sluis buiten gebruik gesteld. In 1965 werd de sluis volgestort met grond en verdwenen de restanten onder het wegdek van de Oostzanerdijk.

Al vrij vroeg in de historie stond er aan het eind van de Kadoelenweg, tegen de zeedijk aangeplakt, een herberg, waar handelsreizigers en schippers terecht konden voor een oorlam of een stevige maaltijd. In deze herberg werd in 1631 het contract getekend voor het droog malen van de Wilmkebreek. De herberg had toen de illustere naam ‘De Groene Ridder’, vernoemd naar het schip met dezelfde naam waar de eigenaar van de herberg voordien als schipper mee gevaren had. De veerdienst die tussen de Oostzaner Overtoom en Amsterdam werd onderhouden, had een opstapplaats voor herberg De Groene Ridder. Deze opstap werd vooral door melkhandelaren gebruikt, die iedere dag verse koemelk van de vele boeren in de omgeving naar de stad vervoerden. De herberg heeft tijden van bloei gekend, maar ook magere jaren. Rond 1850 werd de naam omgedoopt in ‘Koffiehuis Y en Stadszicht’. In 1893 brandde het café af, maar het werd snel weer opgebouwd. In 1930 kreeg het café de waarschijnlijk toepasselijke naam ‘De Kleine Winst’. Later ontstond onder een andere eigenaar de naam café ‘Kadoelen’. Het café bestaat nu niet meer; de huidige eigenaar wil het pand slopen en vervangen door een nieuwe woning.

Café op hoek Kadoelenweg (begin 20e eeuw)

In 1872 werd de stoombootdienst over het IJ van Oostzaan-Landsmeer naar Amsterdam opgericht. De veerdienst had een aanlegsteiger aan het eind van de Stoombootweg (vandaar de naam!). Ook was hier een café gevestigd, waardoor de wachttijd tot aan het vertrek van de boot aangenaam doorgebracht kon worden. De boten voeren over het pas gereed gekomen Zijkanaal I naar de stad. De veerdienst heeft tot 1935 gefunctioneerd. Tegen het einde liep de winstgevendheid sterk terug doordat men sneller met de autobus naar de oversteekplaats van de pont aan de Volewijk (tegenover het centraal station) kon gaan.

Zeescheepvaart en inpoldering van het IJ

Aan het eind van de 18e eeuw begon de toegang via de Zuiderzee naar de haven van Amsterdam problematisch te worden voor de steeds groter wordende en dieper stekende zeeschepen. Met name de zandplaten bij Pampus werden een probleem. Koning Willem I en de stad Amsterdam kwamen daarom in 1819 een plan overeen, dat voorzag in het aanleggen van een kanaal tussen Amsterdam en Den Helder. De afmetingen van dit Noordhollandsch Kanaal, dat in 1824 werd voltooid, waren zodanig gekozen dat de toenmalige zeeschepen veilig, via een aantal sluizen, naar de Amsterdamse haven konden varen. Dit kanaal volgde eerst het tracé van de Buikslotertrekvaart en maakte onderweg zoveel mogelijk gebruik van bestaande ringvaarten rond droogmakerijen in Noord-Holland. Niet veel later werd ook begonnen met het graven van het Goudriaankanaal, het kanaal door Waterland tussen Durgerdam en Marken. Met dit alternatieve en snellere kanaal zou de ondiepte bij Pampus kunnen worden omzeild. Het Goudriaankanaal is echter nooit afgemaakt omdat de Zuiderzee bij Marken uiteindelijk ook niet diep genoeg bleek.

Al snel werd duidelijk dat het Noordhollandsch Kanaal niet voldoende capaciteit kon bieden voor de groeiende Amsterdamse Haven. Besloten werd daarom om via het IJ een directe verbinding met de Noordzee te maken, het Noordzeekanaal. Daartoe moest wel de duinenrij bij Velzen en IJmuiden worden doorgraven. Bij de aanleg van het kanaal werd zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de bestaande diepe stroomgeulen in het IJ. De ondiepe delen werden met kades afgescheiden van de vaargeul, geheel bedijkt en drooggemaakt. Op deze manier werden weer grote stukken land terugveroverd op het water. De lichtgroen gekleurde delen langs het Noordzeekanaal op onderstaande kaart geven de omvang van het ingepolderde gebied aan. Het Noordzeekanaal met in het westen de schutsluizen van IJmuiden en in het oosten de afsluitdam bij Schellingwoude (met de Oranjesluizen), kwam na vele financiële strubbelingen en technische problemen in 1883 gereed voor gebruik door de scheepvaart. Officieel werd het kanaal echter al in 1876 ‘geopend’ door koning Willem III.

Plan voor aanleg van het Noordzeekanaal en inpoldering van het IJ (1866, Otten, Noordhollands Archief)

Aan de noordzijde van het IJ werden in het kader van de kanaalwerkzaamheden o.a. de Nieuwendammerham en de Noordpolder (Polder VIII) gerealiseerd (zie onderstaande kaart). De Noordpolder, die grenst aan de Wilmkebreekpolder, viel in 1872 droog. Eerder al, in 1851, was de Buiksloterham ingepolderd. Als gevolg van de IJ-inpolderingen kwam de Wilmkebreekpolder op flinke afstand te liggen van het open water van het IJ. Eerst werd de polder nog omringd door agrarisch gebied, maar met name in de tweede helft van de 20ste eeuw zijn er veel woningen gebouwd, waardoor de polder nu geheel wordt omringd door woonwijken. De oude zeedijk naast de Wilmkebreekpolder, deel van de Waterlandse Zeedijk, bleef echter in functie als waterkering, omdat naast de Noordpolder een breed kanaal met de naam Zijkanaal I werd uitgespaard. Dit kanaal was nodig voor de afvoer van water uit Waterland en voor de scheepvaart via de sluis aan het eind van het kanaal (de nu niet meer bestaande sluis ‘Oostzaner Overtoom’).

Noordzeekanaal en IJ-polders nabij de Wilmkebreekpolder (situatie 1900, www.topotijdreis.nl)

Boerderijen

Langs de Kadoelenweg staan nog drie historische stolpboerderijen: ‘De Leggende Os’ (Kadoelenweg 221), ‘Maria’s hoeve’ (Kadoelenweg 173) en de boerderij van het laatst overgebleven boerenbedrijf van Klaas Keyzer (Kadoelenweg 306). Beide laatstgenoemde boerderijen zijn een gemeentelijk monument. Boer Keyzer is inmiddels al vele jaren geleden gestopt met boeren.

Boerderij Klaas Keyzer
Voormalige boerderij van Klaas Keyzer

De grond in de polder was aan het eind van de 19e eeuw in handen van boer Cornelis Sijmonsz Tump. Hij woonde in de nu niet meer bestaande boerderij ‘Wilmkebreek’ aan het tegenwoordige Wilmkebreekpad. Bij zijn overlijden in 1897 werd de grond verdeeld over zijn beide zoons. De oudste zoon, Cornelis Cornelisz Tump, die woonde in boerderij de “Leggende Os’, verkreeg het zuidelijke deel van de polder. De jongste zoon, Dirk Cornelisz Tump, woonde bij zijn ouders in de boerderij aan het Wilmkebreekpad. Aan hem viel het noordelijke deel van de polder toe (met de molensloot als scheiding). Zoon Cornelis liet in 1910 een nieuwe boerderij bouwen op zijn eigen deel van de grond, aan Kadoelenweg 306. Hij besloot toen hij 50 jaar was geworden, om te gaan rentenieren en verkocht zijn grond met boerderij in 1913 aan Klaas Keyzer, de grootvader van de laatst overgebleven boer Klaas Keyzer. De jongste broer Dirk overleed in 1919. Na zijn dood ging de boerderij over op zijn zoon Cornelis Pieter Tump. Het noordelijke deel van de grond in de polder kwam later in bezit van de familie Keyzer. De boerderij van de familie Keyzer aan de Kadoelenweg is thans in handen van particulieren. Alle grond in de polder is in het bezit van projectontwikkelaar Amvest.

Geschiedenisboekje

Download hier het geschiedenisboekje over de Wilmkebreek van Google docs, dat is samengesteld en aangevuld door Henk Heubers op basis van het oorspronkelijke boekje van buurtgenoot D.H. de Goede. Of klik op de afbeelding van het boekje, dan opent het in een nieuwe venster. Even geduld want het zijn 77 pagina’s. Het boekje bevat een schat aan informatie, vooral over de eigenaren en gebruikers van de grond.

De Wilmkebreek een groen geschiedenisboekje
De Wilmkebreek
een groen geschiedenisboekje

Permanente koppeling naar dit artikel: https://www.wilmkebreek.nl/index.php/geschiedenis/