Twee jaar geleden was ik het zat. In het voorjaar bleef de grond in onze tuin maar zakken. Waar een grindpad had moeten liggen, dobberde op een gegeven moment zelfs een koppel wilde eenden rond. Borders liepen onder water en planten stierven af. Dat was het moment waarop we besloten: dit moet anders.
We gingen de voortuin grotendeels ophogen. Eerst haalden we zoveel mogelijk planten eruit. Een deel kreeg een nieuwe plek bij anderen, de rest verhuisde tijdelijk naar de achtertuin. Na alle voorbereidingen verscheen er een vrachtwagen met maar liefst tien kubieke meter zand.
Arme aarde, rijk resultaat
Ik koos bewust niet voor voedzame tuinaarde, maar voor het armste zand dat verkrijgbaar was. Dit was dé kans om van dit deel van de tuin een ander soort landschap te maken. In onze buurt bestaat de bodem vooral uit zware, voedselrijke klei. Mooi voor veel planten, maar minder geschikt voor wilde bloemen.
Toen de tuin was opgehoogd en de paden waren hersteld, plantte ik vooral inheemse soorten aan. De rest zaaide ik in met een wild bloemenmengsel van Cruydt-Hoeck.
Het eerste jaar ontplofte de tuin letterlijk. Ik had verwacht dat het op arme grond wel rustig zou blijven, maar dankzij de aanwezige mineralen groeiden de planten uitbundig. Vooral honingklaver nam enthousiast bezit van een groot deel van de tuin. De plant zat vol zweefvliegen en bijen. Toch heb ik later wat grote pollen weggehaald, zodat ook de twee- en meerjarige soorten uit het mengsel een kans kregen.
Grijskruid
In het tweede jaar verscheen grijskruid (Berteroa incana), een tweejarige plant met talloze kleine witte bloemetjes. Vanaf juni tot diep in het seizoen bleef hij bloeien. En dat bleef niet onopgemerkt.
Zodra het grijskruid in bloei stond, veranderde de tuin in een waar bijenwalhalla. Wilde bijen en ook zweefvliegen en een enkele vlinder vlogen af en aan. Vorig jaar telde ik maar liefst 21 soorten bijen en hommels in onze tuin — meer dan ik er ooit eerder had gezien. Met een grote diversiteit aan inheemse planten en door natuurlijk te tuinieren kon dit ook haast niet uitblijven.
Parasitaire bijen als goed nieuws
Wat me misschien nog wel het meest verheugde, was de komst van wespbijen, bloedbijen en koekoeksbijen. Deze soorten bouwen geen eigen nest en verzamelen geen stuifmeel. Ze leggen hun eitjes in de nesten van andere bijen.
Dat klinkt misschien ongunstig, maar het tegendeel is waar. Hun aanwezigheid betekent dat er voldoende gastheersoorten zijn. Met andere woorden: de bijenpopulatie is sterk en divers genoeg om zelfs deze gespecialiseerde parasieten te dragen. Dat is een heel positief teken.
De bijenburcht
Komende week ga ik nog een bijenburcht bouwen. Ik heb al een mooie plek in de zon op het oog. Dan meng ik speelzand met leem en stort die op een paar stammen. Ik heb natuurlijk goed gekeken naar de bijenburchten in de buurt. Vorig jaar zijn ze speciaal aangelegd voor zandbijen en graafwespen. Slechts enkele weken nadat de bijenburcht was gemaakt, ontdekte ik al de eerste witbaardzandbijen – én hun parasiet, de schoffelbloedbij.
Het laat zien hoe snel insecten nieuwe kansen weten te vinden. Als je de juiste omstandigheden creëert, volgen ze vanzelf.
Henk van Alst
